wordt aan gewerkt ...

als de nachtegaal zingt, moeten de mussen zwijgen

Guido De Bruyn over het vertalen van de sonnetten

In 154 sonnetten laat Shakespeare ons alle hoeken en kanten van zijn taal en van de liefde zien. In die volgorde, denk ik. Want het hoofdthema -liefde- was in die tijd van galanterie nogal vanzelfsprekend, het ging de dichter eerder om het hoe dan om het wat. De uit Italië overgewaaide sonnetvorm was toen in de mode, en Shakespeare kon zich binnen die strakke structuur (veertien verzen van telkens vijfvoetige jamben) volop uitleven. Hoe ontwerp je 154 schoenen rond dat ene voetje van de liefde? Kijk eens wat ik kan. Elk sonnet -dat nog nat van de inkt onder zijn vrienden circuleerde- werd verwelkomd als een literair speeldoosje (een klinkdicht). Telkens weer klonk een ander muziekje van maniëristisch taalraffinement, zo eigen aan de periode waarin ze geschreven werden: op de wip tussen Renaissance en Barok. Shakespeare verwijst trouwens zelf geregeld in zijn sonnetten naar zijn dichtkunst (zoals bij alle kunst die ertoe doet, zegt zijn meesterschap ook iets over de kunst die hij beoefent), of hij vergelijkt binnen een sonnet zijn métier met dat van rivaliserende dichters. Kortom: de liefde was bijna een alibi om het gebruikte alaam, de taal, te kunnen laten glanzen. De geliefde werd vooral verleid door de inventiviteit van de formulering ('hoe mooi' was de reactie, eerder dan 'hoe lief', stel ik me voor). De geliefde moest worden ingepakt door de verpakking. Shakespeare zelf zou me deze laatste overdrijving niet kwalijk nemen, maak ik me sterk (als er iemand nooit om een woordspeling verlegen zat, was hij het wel).

Liefde -het voetje- mag dan wel ondergeschikt zijn aan de schoen, ze blijft wel de horrelvoet binnen de dichtkunst. Want van alle poëzie is liefdespoëzie het moeilijkste genre: hoe zeg je een gedicht lang 'ik hou van je', zonder dat ook letterlijk (lees: prozaïsch) te zeggen? Shakespeare had het makkelijk: hij beschikte -volgens de bioloog in mij- over een exorbitant groot compartiment 'Metaforialis' in zijn taalkwab. De volksmens in mij zou zeggen: hij kon rijmen en dichten zonder zijn gat op te lichten. Wie er de dialogen uit zijn toneelstukken op naleest, weet: Shakespeare ademde beeldspraak. En toch. Toch werd ik eerlijk gezegd door deze sonnetten zelden ontroerd. Bij zoveel verbaal vuurwerk voelde ik vooral bewondering. Voor de schoen. (Shakespeare zelf zou me deze laatste vergelijking niet kwalijk nemen, maak ik me sterk, want als er iemand ...) Het ging hem wellicht ook niet om ontroering, hij schreef niet voor de krop in de keel. Voor het tijdperk van de Romantiek was hij een paar eeuwen te vroeg geboren. De dichter van deze sonnetten is vooral dichter in de oorspronkelijke, Griekse betekenis van het woord: een vakman. Het ging hem om de technische hoogstandjes van 154 verbluffende ontwerpen. En de schoen, hoe fraai ook, doet wat hij altijd doet: hij ontneemt ons het zicht op de voet. Maar kan het ook anders? Kunst sublimeert, bestaat bij de gratie van het verlangen (die begeerte van de ziel). Wie liefde kent, dicht niet. Hoeft niet te dichten. Waarover men niet spreken kan, moet men zwijgen, maar als je het toch doet, doe het dan zo briljant dat ze je vierhonderd jaar later nog lezen. En vertalen. Waarvan akte.

Maniërisme dus, taalraffinement, suikervrij sentiment. Dat zijn de pralines in de doos van Shakespeare's sonnetten. Wie daar vandaag echt wil van proeven, doet dat bij voorkeur in het Engels -al heeft ook de doorsnee Brit een bijsluiter nodig: dat Elizabethaans jargon vraagt filologische duiding, gekoppeld aan een historisch referentiekader van begrippen & personages uit die tijd. Kennis verdiept de smaakpapil. Want hoe kan je een woordspeling waarderen als je er de dubbelzinnige betekenis -van toen- niet van kent?

Komt daarbij dat poëzie (ook) muziek is, en vandaar dus in wezen onvertaalbaar. Bij proza heb je het woord als vehikel van betekenis (hoe zeg ik zo correct mogelijk hetzelfde, maar met andere woorden, is de opdracht van de vertaler), in een gedicht komt daar de klankkleur bovenop (en de vertaler zit met die andere woorden strop: als love als ultramarijn klinkt, klinkt liefde als turkoois). Het superbe woordkoloriet van Shakespeare, zijn gigantisch palet van alliteraties, klankecho's, binnenrijmen, metrumtechnieken, woordspelingen, paradoxen enzovoort maakt de vertaler moedeloos. Hij beseft dat hij slechts een banjo ter beschikking heeft, waar de partituur voor een virtuoze luitenist geschreven werd. Of zoals mijn grootvader -ook een volksmens- altijd zei: als de nachtegaal zingt, moeten de mussen zwijgen.

Tot ik onlangs het werk van een hedendaags componist hoorde, een man die de préludes van Debussy bewerkte voor orkest. Luk Brewaeys schreef een arrangement voor een symfonische bezetting van een partituur die oorspronkelijk voor piano was gedacht. Tegelijk hoor je Debussy en onmiskenbaar ook Brewaeys. De ene componist brengt een hommage aan de andere, en hij doet dat door zichzelf te blijven. Dienstbaar, en toch naar zijn hand zettend (omdat hij niet anders kan: le style c'est l'homme). Nederige zelfzekerheid. De enige correcte attitude, want een letterlijk arrangement voor orkest zou falen op 'het origineel is beter dan de kopie'-gevoel. Plus: wie vandaag componeert, moet componeren zoals vandaag gecomponeerd wordt. Zie Picasso die Vélasquez aanpakt: je ziet in zijn hommage-schilderijen én Vélasquez én Picasso.

Vandaar dat ik besloot, niet om een hertaling te maken van Shakespeare's sonnetten, maar een vertaling die ook poëzie wil zijn. Inhoudelijk trouw aan het origineel, maar vormelijk overspelig in de taal. Shakespeare zelf zou me dat niet kwalijk nemen, want hij laat mij geen keus: hij eist hetzelfde maniërisme van zijn vertaler, die maar zijn eigen speeldoosjes moet maken. Dichten (lees: vertalen van gedichten) is het zoeken naar een equivalente chemie tussen de woorden van je eigen taal. Ook al is dat maar een banjo. En wat die speeldoosjes betreft: ik heb er in mijn vertaling voor gekozen om de Petrarcische sonnetstructuur van twee kwatrijnen & twee terzinen te gebruiken, al werkt Shakespeare met drie kwatrijnen en een slotdistichon. De reden is: qua retorische opbouw zijn de sonnetten van Shakespeare m.i. wel degelijk geënt op het Petrarca-model (waarbij in de twee kwatrijnen een stelling wordt geponeerd die een afwikkeling krijgt in de slot-terzinen).

Tot slot iets over ontroering en bewondering. Bewondering is hier niets anders dan esthetische ontroering. Zoals ik eerder stelde: kennis verdiept de smaakpapil (als ik naar de Mattheuspassie van Bach luister met de partituur in de hand, krijg ik nog meer tranen in de ogen). Maar het kan geen toeval zijn dat we Shakespeare's sonnetten zovele eeuwen later nog lezen, dat we zijn toneelstukken nog steeds op de planken brengen. Achter dat verbale vuurwerk, achter die taalmagie, onder die verpakking zit natuurlijk een magistraal cadeau. For as the sun is daily new and old, so is my love still telling what is told (sonnet 76).

Guido De Bruyn, 12/01/2005

arrow up | pijl naar boven