schattige jonge kannibalen
Johan Smith: Fine Young Cannibals, uit Hungry For You, Chatto & Windus, London,1996 (vertaling Gerd Van Limbergen)
Iedereen kent dezelfde verhalen over kannibalisme. Men herinnert zich het Uruguayaans rugbyteam wier vliegtuig in 1972 neerstortte in de Andes, hoewel men ook wel weet dat de spelers geen echte kannibalen waren, alleen maar jonge desperate jongens die niet anders konden om in leven te blijven - ze wilden eigenlijk hun dode vrienden niet opeten. Dan is er Hannibal the Cannibal, de psycholoog die seriemoordenaar werd en mensen opeet in de stijlvolle thriller van Thomas Harris, The Silence of the Lambs. Anthony Hopkins won een Oscar voor zijn rol als het gastronomische monster dat meewerkt met de dappere kleine Jodie Foster, die Lecter portretteert als een chique crimineel met heel wat meer hersenen dan de FBI-agenten die alle moeite doen om informatie van hem los te krijgen. De fictionele Lecter is veel charismatischer dan het pathetische mannetje dat een diepvriezer vol menselijke onderdelen bleek te hebben - echte mensenonderdelen, weliswaar - toen de politie in juli 1991 zijn appartement in Milwaukee binnenviel.
Wie nog? Wel, Polynesië staat bekend voor zijn kannibalen en er is Sweeney Todd, de duivelse barbier uit Fleet Street, die zijn klanten vermoordde en hun lijken overbracht naar buurvrouw Mrs Lovett, die er haar beroemde vleespastijen van bereidde. En Sawney Beane, de Schotse bandiet wiens vrouw mensenarmen en -benen aan het plafond van hun kelder hing zoals jij of ik er wild zouden hangen. Maar Sweeney Todd is een personage in een verhaal van de weinig bekende Tom Prest, een duivel die tegelijkertijd schrik aanjaagt en fascineert; Sawney Beane kan even goed fictief zijn, rekening houdend met de onbetrouwbaarheid van de bronnen over zijn heldendaden. Als er echte, levende, twintigste-eeuwse kannibalen bestaan, dan is dat zeker op de eilanden van het Evenaarsgebied, zoals Borneo of Nieuw Guinea, waar de inheemsen nog altijd een been door hun neus dragen en hun vijanden in grote potten op een open vuur laten sudderen - zoals in de cartoons die de Daily Mirror in de sixties nog altijd publiceerde. Weet je nog? Die waar twee jagers op groot wild in tropenhelm dubieuze blikken naar elkaar werpen als het water begint te koken en zenuwachtige grappen vertellen over inheemsen die er altijd op uit zijn een Engelsman als maaltijd te hebben. Hmmm, we begeven ons hier op glad ijs ...
M.a.w. kannibalisme maakt mensen onzeker en nerveus, in die mate dat het steeds tot een grap wordt verwerkt. Mensen schudden hun angst af door vluchtig op te merken dat mensenvlees zoet smaakt, als kalf of varken, maar ze zijn er niet zeker van waar deze overeenkomst eigenlijk vandaan komt. Er staan beschrijvingen in Alive, het boek van Piers Paul Read over de vliegtuigcrash in de Andes; maar weinig verslagen over kannibalisme vertellen de lezer hoe het vlees smaakt en beschrijven eerder de reacties tijdens het eten: met de lippen smakken, het genot als ze tot de categorie 'wilden' behoren, horror en weerzin als de consumptie van mensenvlees ongewild of niet vrijwillig was. Een extra huivering in vele verondersteld realistische verslagen komt door de zogenaamde voorkeur van de kannibalen voor bepaalde nationaliteiten:, waarbij sommige stammen erbij zweren dat de Fransen of de Engelsen veel lekkerder zijn dan, zeg maar, de Spanjaarden. Wat deze uitspraken zo onbetrouwbaar maakt, zoals Reay Tannahill opmerkt in haar geschiedenis van het kannibalisme, Flesh and Blood, is dat de voorkeuren "in grote mate lijken af te hangen van de fantasie van de chroniqueur"; sommige auteurs, hoe eigenaardig dat ook mag klinken, geven de indruk behagen te scheppen in de suggestie dat hun vlees zoeter is dan dat van de inwoners van een of ander buurland. Tannahill schreef over de veronderstelde gewoonten van de Cariben, het volk dat leefde op verschillende eilanden in West-Indië, wier gewoonte vijanden op te eten, die ze hadden gevangen genomen of hadden gedood in de strijd, de Spaanse veroveraar verbijsterde. Hun naam, in een onnauwkeurige Spaanse transcriptie, ligt aan de basis van het woord 'kannibalisme'.
De afleiding is veelzeggend: antropofagie, de neutrale term waaraan antropologen de voorkeur geven, komt van de samentrekking van een Grieks zelfstandig naamwoord en een werkwoord (anthropos, een menselijk wezen, en phagein, eten), kannibalisme, het gangbare woord, verbindt het verschijnsel met een etnische groep die door Europeanen sedert Captain Cook (hij kwam er aan wal in 1492) werd aanzien als een hoop beschilderde wilden. Hierdoor kreeg de Europese veroveraar weinig belangstelling om hun gebruiken te veranderen en hen tot het Christendom te bekeren of hen van de kaart te vegen; ze rechtvaardigden dit met de zeer gekleurde verslagen over mensenoffers en vlees-eten. Wat bij kannibalenverhalen opvalt is de gelijkenis van het ene verhaal met het andere, het herhalen van de gekende scenario's waarbij demonische gestalten, amper als mensen te herkennen, hun vijanden aanvallen en hompen vlees scheuren uit amper dood of nog ademend vlees.
Een bijzonder rijke bron van dergelijke verhalen is de vegetariër en polemist Joseph Ritson (hij geloofde dat het eten van dieren onvermijdelijk leidt tot het eten van mensen) die in een tekst, gepubliceerd in 1802, verklaarde dat in de hele niet-Europese wereld kannibalenstammen bestaan die hun vijanden rauw eten. Ritson stelde een lijst op van Peruviaanse jagers die schapen en vee links lieten liggen om hun herders op te peuzelen en 'negers' uit Afrika die "grote stukken bijten uit de armen of benen van hun buren en medeslaven, en ze met veel appetijt binnenslikken".
Wat uit deze onwaarschijnlijke vertellingen naar voor komt is een obscene nieuwsgierigheid naar kannibalisme in ontwikkelde culturen, meer dan in de wijdverspreide praktijk erbuiten. Hiermee wordt niet gezegd dat kannibalisme niet bestaat, zeker in omstandigheden van extreme voedselschaarste, als bijvoorbeeld in de Nazi-concentratiekampen, maar wel wordt gesuggereerd dat het altijd een niet-erkende functie heeft gehad als graadmeter van barbaarsheid - een afstandscheppend mechanisme dat wordt gebruikt om een dubieuze hiërarchie van raciale superioriteit te versterken.
Dit heeft ertoe geleid dat de meeste bizarre en ongelooflijke verhalen doorheen de geschiedenis, een aandachtig publiek hebben gevonden, dat op onwaarschijnlijke details uit was bleef stellen, zoals de veronderstelde voorkeur van de kannibaal om rauwe stukken vlees af te bijten of op te eten; lezers die eerder lachten bij de gedachte aan stammen die op zo'n manier dieren verscheuren bleken merkwaardig onkritisch als het ging om mensenvlees. Als kannibalenverhalen een vorm van verkapte legitimatie zijn voor koloniale culturen, verklaart dit hun populariteit in de literatuur van volkeren die imperiums uitbouwen, van het Antieke Rome tot het Victoriaanse Engeland; kannibalen duiken regelmatig op in Duizend en één Nacht, een fictioneel product van een expansieve Middeleeuwse Moslimcultuur, en in de memoires van Marco Polo, een dertiende-eeuwse apologeet van de Mongolenkeizer van China. De tegenstellingen die ze vertegenwoordigen - natuur/cultuur, barbarij/beschaving - zijn mooi verwoord door de Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss in de titel van zijn beroemde studie over mythe en ritueel, Le Cru et le Cuit; de metafoor over koken is bijzonder treffend gelet op het feit dat veel verslagen over kannibalisme het onvermogen benadrukken van de barbaarse 'andere' om zijn slachtoffers te koken. (De Romeinse satirist Juvenal, die een veronderstelde recente uitbarsting van kannibalisme in Egypte, de traditionele vijand van Rome, beschrijft, geeft afkeurend commentaar op het falen van de Egyptenaren om hun menselijk voer in een stoofpot te verwerken.)
De zelfgenoegzaamheid waarmee 'beschaafde' volkeren inheemse kannibalen bekijken blijkt uit Joseph Ritsons zijdelingse opmerking over het lot van de Cariben: "Zij zijn nu nagenoeg uitgeroeid door de Christenen." Een auteur uit een veel latere periode, Lewis Robert Wolberg, zet een paternalistische toon in zijn boek The Psychology of Eating (1937), waarin hij opmerkt dat "ecclesiastische druk de barbaar gedwongen had zijn appetijt te onderdrukken en zijn smakelijke schotels mensenvlees op te geven.” Wolberg blijkt de ironie niet te hebben opgemerkt van het feit dat de zogeheten barbaren overtuigd werden hun kannibalistische gewoonten op te geven, door zendelingen van een religie die sterk geworteld is in antropofage rituelen.
Zoals het Evangelie van Marcus verhaalt was Jezus de grondlegger van de centrale daad van verering van de Kerk, in bewoordingen die zonder meer kannibalistisch zijn; in het geval er iemand enige twijfel had over zijn bedoeling toen hij zijn discipelen brood gaf en zei: "Neem en eet, ziehier het lichaam van Christus", is er het feit dat het Vierde Lateraans Concilie van 1215 de symbolische interpretaties verwierp ten voordele van de doctrine van transsubstantie. Daardoor werd de verwarring tussen metafoor en werkelijkheid zo groot dat in de Late Middeleeuwen kerken over heel zuidelijk Europa moesten worden afgesloten tegen religieuzen die obsessief hosties verorberden, en andere vormen van voedsel weigerden voor wat zij echt geloofden dat het het lichaam van Christus was.
De 14de eeuwse heilige, Catharina van Siena, voelde een behoefte om "het vuil van de wonden en het bloed van Christus' doodsstrijd" in de plaats van gewoon voedsel te stellen, waarbij ze bij twee gelegenheden zichzelf forceerde te zuigen aan de borst van een stervende vrouw of etter te drinken. (De reactie van de zieke op deze heilige handelingen werd niet geregistreerd.) Het merkwaardig gevolg daarvan was een visioen waarin Christus de wonde aan zijn zijde liet zien en Catharina aanspoorde ervan te drinken, wat ze hartstochtelijk deed; een snelle overgang van antropofage verbeelding naar iets dat op fellatio lijkt. De scène is een duidelijke referentie naar de omvang van onze seksuele praktijken die de daad van het opeten van een ander mens nabootsen, een waarheid waarnaar wordt verwezen in liefdeswoordjes als "ik zou je kunnen opeten." Lévi-Strauss verwijst naar het bestaan van een gelijkaardig set taboes wanneer hij kannibalisme beschrijft als "alimentaire incest".
Dit brengt ons op de intrigerende hypothese dat kannibalenverhalen ontwikkelde culturen fascineren, niet alleen omdat zij noties van raciale superioriteit valideren, maar ook omdat zij onze meest duistere noden en angsten m.b.t. seks belichamen. Kannibalisme behelst de letterlijke incorporatie van de andere, het samensmelten van twee in één, dat de kern vormt van zoveel seksuele fantasieën; ruwweg gezien lijkt het de plotselinge eenzaamheid die op het orgasme volgt en die aan de basis ligt van het gevoel van petite mort. Maar weinig vertellers behandelden dit kannibalistisch element van de erotiek zo beeldend als Italo Svevo, wiens protagonist in The Confessions of Zeno ervan droomt de hals van zijn geliefde te verslinden; een andere Italiaan, Italo Calvino, creëert een liefdesscène in zijn novelle Under the Jaguar Sun waarin zijn personages het "universele kannibalisme dat zijn sporen achterlaat op iedere relatie" erkennen, en een ogenblik het onderscheid tussen henzelf en de maaltijd oproepen; gedurende enkele seconden staan mensen die in staat zijn te begrijpen dat ze worden 'gekookt' klaar om te flirten met het idee dat ze dat ook letterlijk zullen worden - en zullen worden opgegeten.
Voor de meesten onder ons is kannibalisme een metafoor, zoals Gian-Paolo Biasins het verwoordt in zijn boek The Flavours of Modernity, of krijgt het een ironische dimensie, zoals in Swifts A Modest Proposal, een satire op het gedrag van de Engelsen t.o.v. de Ieren, evenals in Byrons zwarte humor in zijn verslag van een schipbreuk in Don Juan. Toch zijn er hier en daar hedendaagse gevallen van vrijwillige antropofagie, waarvan de details, op het eerste gezicht, alle begrip tarten. Een daarvan is Jeffrey Dahmer, wiens bizarre huishoudgewoonten aan het licht werden gebracht door een overlijdensbericht in The Guardian, nadat hij in een gevangenis in Wisconsin was doodgeslagen in 1994: “Openbare aanklagers geloofden dat Jeffrey Dahmer zijn kannibalisme ernstig nam. Behalve dan de inhoud van zijn diepvriezer, vonden zij geen eten in appartement 213, enkel kruiden” Het informele detail dat suggereert dat Dahmer ervan hield zijn slachtoffers op te eten met een vleugje zout en peper, wijst erop dat hij al op weg is gemythologiseerd te worden. Dit resulteert uit Brian Masters nauwkeurig maar afstotend verslag in The Shrine of Jeffrey Dahmer (1993), waarin hij verhaalt dat Dahmer eens “een biceps at die hij in een steelpan had gebakken, verzacht en besprenkelt met saus”, in totaal bereidde hij zes maaltijden van zijn zeventien slachtoffers. Het echt sensationele en onthullende aspect van Dahmers misdaden ligt in het raciale profiel van zijn slachtoffers, waarvan de overgrote meerderheid zwart waren of afkomstig uit Zuid-Oost Azië.
Al van toen ze als slaven van Afrika naar Zuid-Amerika werden gebracht, werden aan zwarten mythische kenmerken van fysieke kracht en seksuele potentie toegewezen. Door hen te doden en op te eten, heeft Dahmer mogelijkerwijs op een rituele manier fantasieën van onderwerping en incarnatie van de gevreesde en verlangde 'andere' verwerkt - misschien zelfs, in de hoop dat een deel van hun potentie in hem zou overgaan.
Na zijn proces informeerde hij bang bij zijn dokters “of hij misschien de enige was op de wereld, of dat er nog anderen waren zoals hij”. De finale uitspraak is ambigu, impliceert zowel 'ongewoon' als 'geïsoleerd' en maakt van Dahmer een quasi-heroïsche figuur, die eenzaam een pad bewandelt dat onze gemeenschappelijke tribale voorouders ook vertrouwd zou zijn.
Nochtans is het beeld van de eenzame kannibaal, vervloekte erfgenaam van een barbaarse traditie die niet meer verstaan wordt door zijn ontwortelde nakomelingen, veel afstotelijker. Wat mensen als Dahmer motiveert, is een catastrofale mislukking van de verbeelding, een onbekwaamheid metaforisch te denken, wat hen dwingt te handelen vanuit een symbolisch uitgangspunt zonder rekening te houden met de schade aan henzelf en aan anderen, inzake gruwel en ontaarding. In tegenstelling tot ons weten zij niet, of trekken ze het zich niet aan, dat - met uitzondering van de uitgesproken noodgevallen - het eten van mensen verkeerd is.
naar boven
|