documentatie & illustratie bij Dikke Mannen in Rokjes van Nicky Silver

over de kannibalen

Montaigne

bron: Montaigne, Essays, vertaald door Frank De Graaf, uitgeverij Boom, Amsterdam, 1993.

Toen koning Pyrrhus, tijdens zijn invasie in Italië, zag hoe het leger dat de Romeinen hem tegemoet gestuurd hadden was opgesteld, zei hij : "Ik weet niet wat dit voor barbaren zijn (want zo noemden de Grieken alle vreemde volken), maar de opstelling van het leger dat ik hier zie, heeft niets barbaars." Hetzelfde zeiden de Grieken van het leger waarmee Flaminius het land binnenviel, en Philippus, toen hij vanaf een heuveltje in zijn koninkrijk zag hoe ordelijk het Romeinse kamp onder Publius Sulpicius Galba was ingedeeld. Zo zien we dat men ervoor moet waken aan de meningen van de massa's te hechten en dat men zich bij zijn oordeel erover door de rede moet laten leiden en niet door wat Jan en alleman zeggen.

Ik heb hier lange tijd een man gehad die tien of twaalf jaar lang in die nieuwe wereld, die in onze eeuw ontdekt is, gewoond had, op de plaats waar Vilegaignon aan land ging en die deze Antarctisch Frankrijk heeft genoemd. Deze ontdekking van een onmetelijk land lijkt me wel iets om bij stil te staan. Ik weet het niet, maar ik zou er niet voor durven instaan dat er in de toekomst niet nog een ander ontdekt zal worden, nu zoveel figuren, groter dan wij, zich wat deze betreft verkeken hebben. Ik ben bang dat ons oog groter is dan onze maag en dat onze nieuwsgierigheid groter is dan ons bevattingsvermogen. We omhelzen alles, maar wat we in de armen sluiten is slechts lucht. Plato introduceert Solon, die vertelt dat hij van de priesters in de Egyptische stad Saïs vernomen heeft dat er vroeger, voor de zondvloed, vlak bij de mond van de straat van Gibraltar, een groot eiland lag, Atlantis genaamd, dat groter was dan Afrika en Azië te zamen. De koningen van dat gebied, die niet alleen dat eiland bezaten maar hun macht zover over het vaste land hadden uitgebreid, dat zij Afrika naar het oosten toe tot Egypte, en Europa naar het noorden toe tot Toscane beheersten, ondernamen een poging om de stap naar Azië te maken en alle landen die aan de Middellandse Zee grensden tot aan de Zwarte Zee te onderwerpen, en trokken daartoe door Spanje, Gallië en Italië tot in Griekenland, waar de Atheners hen tegenhielden. Maar enige tijd later werden zowel de Atheners als zij als hun eiland verzwolgen door de zondvloed. Zeer waarschijnlijk heeft deze immense overstroming in de bewoonde wereld ongekende veranderingen teweeggebracht. Zo gelooft men dat de zee Sicilië van Italië gescheiden heeft,

Haec loca, vi quondam et vasta convulsa ruina, Dissiluisse ferunt, cum protinus utraque tellus Una foret. (zie voetnoot 1)

Cyprus van Syrië en het eiland Euboea van het vaste land van Boeotië, en dat het op andere plaatsen stukken land die verdeeld waren, heeft samengevoegd door de zeestraten ertussen met zand en slijk te dempen,

sterilisque diu palus aptaque remis Vicinas urbes alit, et grave sentit aratnum.(zie voetnoot 2)

Maar het is niet erg waarschijnlijk dat dat eiland de nieuwe wereld is die we zojuist ontdekt hebben, want het lag bijna tegen Spanje aan en de overstroming zou wel een ongelooflijke uitwerking hebben gehad, als zij dat land er zover van verwijderd heeft als het nu is, namelijk meer dan twaalfhonderd mijl. Bovendien hebben recente zeereizen al bijna aangetoond dat het helemaal geen eiland is, maar bij het vasteland hoort en aan één kant verbonden is met Oostelijk Indië en aan de andere kant met de landen die zich onder de beide polen bevinden ; en als het er toch van gescheiden is, ligt er zoi'n smalle ruimte tussen, dat het daarom de naam eiland niet verdient.

Het schijnt dat deze grote lichamen, net als de onze, onderhorig zijn aan veranderingen, waarvan sommige natuurlijk zijn en andere koortsachtig. Als ik kijk naar de afkalving aan de rechteroever, stroomafwaarts gezien, van mijn eigen Dordogne die in mijn tijd heeft plaatsgevonden en zie dat de rivier in twintig jaar zoveel terrein heeft gewonnen, dat zij de fundeering van verscheidene gebouwen heeft ondermijnd, dan zie ik wel dat het hier om een ongewoon sterke beweging gaat, want als de rivier altijd op die manier te werk gegaan was of in de toekomst altijd zo moest doorgaan, zou de wereld er totaal anders uitzien. Maar rivieren zijn onderhevig aan verandering: nu eens overstromen zij de ene oever, dan weer de andere ; en soms blijven ze binnen hun bedding. Ik heb het niet over de plotselinge overstromingen, waarvan de oorzaken ons duidelijk zijn. In de Médoc, dat langs de kust ligt, is mijn broer, Heer van Arsac, er getuige van hoe een van zijn landerijen bedolven wordt onder het zand dat de zee ervoor uitstort. Van enkele gebouwen is de nok van het dak nog te zien. Zijn pachtgronden en bouwlanden zijn veranderd in zeer schrale weiden. De bewoners van de streek zeggen dat sedert enige tijd de zee zo sterk naar hen opdringt, dat ze vier mijlen grond hebben verloren. Dat zand is haar voorbode. Je ziet grote bewegende zandduinen een halve mijl voor de zee uitwandelen en terrein winnen.

De andere getuigenis uit de oudheid waarmee men deze ontdekking in verband brengt, is te vinden bij Aristoteles, tenminste als dat kleine boekje Over ongehoorde wonderen van hem is. (zie voetnoot 3) Daarin vertelt hij hoe een aantal Carthagers, die zich buiten de straat van Gibraltar de Atlantische Oceaan op gewaagd hadden, na lang varen tenslotte, ver verwijderd van ieder vasteland, een groot vruchtbaar eiland hadden ontdekt, dat geheel bedekt was met bos en bevloeid door brede, diepe rivieren ; en dat zij, en later anderen, aangetrokken door de kwaliteit en de vruchtbaarheid van de bodem, er met hun vrouwen en kinderen heentrokken en zich daar vestigden.

Toen de heersers van Carthago merkten dat hun land langzamerhand ontvolkt raakte, vaardigden zij een uitdrukkelijk verbod uit voor ieder, op straffe des doods, om daar heen te gaan en verjoegen ze die nieuwe kolonisten uit vrees, naar men zegt, dat ze zich in de loop der tijd zodanig zouden vermenigvuldigen, dat zij hen zouden verdringen en hun staat vernietigen. Wat Aristoteles hier vertelt, is al evenmin van toepassing op onze nieuwe wereld.

Die man, die ik in huis had, was een eenvoudige, ruwe klant, wat iemand geschikt maakt om als getuige de waarheid te spreken. Want ontwikkelde mensen observeren zorgvuldiger en merken meer dingen op, maar zij voorzien ze van commentaar ; en om hun interpretatie gewicht en overtuigingskracht te geven kunnen zij er niet aan ontkomen de geschiedenis enigszins te veranderen; ze geven de dingen nooit louter weer zoals ze zijn , maar verdraaien en verhullen ze om ze in het beeld te passen dat zij ervan hebben. En om hun oordeel geloofwaardig te maken en u ervoor te winnen, aarzelen ze niet in die richting iets aan de zaak toe te voegen, haar wat op te blazen en uit te breiden. We hebben dus ofwel een zeer betrouwbaar iemand nodig, ofwel één die zo eenvoudig is, dat hij niet de mogelijkheid heeft om onware ideeën te ontwikkelen en een schijn van waarheid te geven, iemand die niet met een theorie getrouwd is. Die man van mij was zo iemand. En bovendien heeft hij bij diverse gelegenheden verscheidene zeelieden en kooplieden aan mij voorgesteld die hij op zijn reis had leren kennen. Daarom stel ik me met zijn informatie tevreden zonder me op de hoogte te stellen van wat de kosmografen erover te zeggen hebben.

Wij zouden topografen moeten hebben, die ons een gedetailleerde beschrijving geven van de plaatsen waar ze geweest zijn. Maar omdat zij Palestina hebben bezocht en wij niet, willen ze gelijk ook het voorrecht hebben ons over de hele overige wereld nieuwtjes te vertellen. Ik zou willen dat iedereen, niet alleen op dat gebied, maar ook over alle andere onderwerpen alleen opschreef wat hij ervan weet en niet meer dan dat. Want iemand kan iets speciaals weten over een rivier of een bron, of er bijzondere ervaringen mee hebben, en van al het andere alleen wat iedereen weet. Toch zal hij, om dit stukje kennis aan de man te brengen, ertoe overgaan een hele natuurleer te schrijven. Deze ondeugd leidt tot vele ernstige problemen.

Welnu, om op mijn onderwerp terug te komen, ik vind, te oordelen, naar wat men mij over hen heeft verteld, dat er niets barbaars of wilds aan dat volk is, daargelaten dat iedereen barbaars noemt wat niet strookt met wat hij gewend is ; want het schijnt inderdaad dat we geen ander criterium voor het ware en het redelijke hebben dan het voorbeeld en onze voorstelling van de opvattingen en gebruiken in eigen land. Dààr heerst altijd de ideale religie en de volmaakte staatsvorm ; daar is is de manier waarop men alles doet het meest volmaakt en ontwikkeld. Deze volken zijn wild, maar in de zin waarin wij de vruchten wild noemen, die de natuur als ze haar gewone loop volgt uit zichzelf voortbrengt, terwijl we eigenlijk die vruchten wild zouden moeten noemen die we kunstmatig veranderd en van de algemene orde vervreemd hebben. Bij de eerste zijn de ware en meest nuttige zen natuurlijke kwaliteiten en eigenschappen nog levendig en krachtig, terwijl die laatste hebben doen ontaarden en louter aan onze bedorven smaak hebben aangepast. En daarom hebben diverse vruchten uit die landen zonder door mensenhand gekweekt te worden ook voor ons een fijne, voortreffelijke smaak, welke die van onze vruchten evenaart. Het zou toch niet redelijk zijn wanneer kunstmatigheid onze grote, machtige Moeder Natuurde eer betwistte. We hebben de schoonheid en rijkdom van haar werken zo overladen met onze uitvindingen, dat wij haar totaal verstikt hebben. Toch is het een feit dat zij, overal waar ze nog in pure vorm schittert, onze ijdele en nietige ondernemingen oneindig beschaamt,

Et veniunt ederae sponte sua melius, Surgit et in solis formosior arbutus antris Et volucres nulla dulcius arte canunt. (zie voetnoot 4)

met al onze inspanningen lukt het ons niet het nest van het allerkleinste vogeltje na te maken, met zijn mooie, hechte en doelmatige bouw, of zelfs maar het web van een armzalige spin. Alle dingen, zei Plato (zie voetnoot 5), zijn door de Natuur of door het toeval of door kunst voortgebracht; de grootste en schoonste door één van de eerste twee; de minste en meest onvolmaakte door de laatste.

Die volken lijken me daarom alleen in die zin barbaars te zijn dat ze zeer weinig vorming hebben gekregen van de menselijke geest en nog heel dicht bij hun oorspronkelijke natuurlijkheid staan. Zij worden nog geregeerd door natuurwetten, heel weinig bedorven door de onze, maar met zo'n zuiverheid, dat ik som overvallen word door een gevoel van spijt date r niet eerder iets over hen bekend geworden is, in de tijd dat er mensen waren die daar beter over hadden kunnen oordelen dan wij. Het doet me verdriet dat Lycurgus en Plato die volken niet gekend hebben; want wat we bij deze volken met onze eigen ogen zien, overtreft, lijkt me, niet alleen alle beschrijvingen waarmee de dichters de gouden eeuw hebben geïdealiseerd, en alles wat ze bedacht hebben om zich de mens in een toestand van geluk voor te stellen, maar zelfs de ideeën en aspiraties van de filosofen. Zo'n pure en eenvoudige natuurlijkheid als wij hier in werkelijkheid zien, hebben zij zich niet eens kunnen voorstellen; zij konden niet eens geloven dat onze samenleving zich met zo weinig kunstmatigheid en menselijke organisatie kan handhaven. Hier leeft een volk, zou ik tegen Plato zeggen, dat geen enkele vorm van handel kent, geen schrift heeft, geen getallen en rekenkunst, geen aanduidingen voor gezagsdragers of overheidsfuncties, geen horigheid, rijkdom of armoede, geen contracten, geen erfrecht en boedelverdelingen, geen ander bezigheden dan tijdverdrijf, een volk dat niet meer respect voor verwanten toont dan voor de mensen in het algemeen, dat geen kleren, geen landbouw en geen metalen heeft en het gebruik van wijn of koren niet kent. Bij hen hoort men geen woorden voor leugen, verraad, huichelarij, hebzucht, afgunst, laster en vergiffenis. Hoe ver zou Plato de staat die hij uitgedacht heeft niet van deze volmaaktheid verwijderd vinden : 'viri a diis recentes?' (zie voetnoot 6)

Hos natura modos primum dedit. (zie voetnoot 7)

Verder leven ze in een uiterst lieflijke landstreek met een zeer mild klimaat, zodat je er, naar mijn getuigen mij verteld hebben, zelden iemand aantreft die ziek is. Ze verzekerden mij dat ze er nooit iemand gezien hadden die trillende handen of ontstoken ogen had of tandeloos was of krom van ouderdom. Deze mensen wonen langs de kust en worden aan de landzijde beschut door grote en hoge bergen, waartussen ze een strook hebben van ongeveer honderd mijl breedte. Ze hebben een grote overvloed aan vis en vlees, die geen enkele gelijkenis met de onze vertoont, en ze eten het gaargekookt, zonder enige andere toebereiding. De eerste die daar een paard heenbracht en bereed, boezemde hun, hoewel hij op verscheidene andere reizen hun sympathie had gewonnen, zo'n schrik in, dat zij hem pijlschoten doodden voordat ze hem konden herkennen. Hun huizen zijn zeer langgerekt en kunnen we twee- of driehonderd mensen bevatten; ze zijn bekleed met schors van grote bomen en reiken aan één kant tot de grond, terwijl ze met de nokken tegen elkaar leunen en elkaar overeind houden, zoals bij ons sommige schuren, waarvan het dak tot de grond doorloopt en als zijwand dient. Ze hebben hout dat zo hard is, dat ze ermee snijden en er hun zwaarden van maken en spiesen om vlees aan te braden. Hun bedden zijn van katoen geweven en aan het dak opgehangen, zoals de hangmatten in onze schepen; ieder heeft zijn eigen bed, want de vrouwen slapen niet bij hun echtgenoten. Ze staan op met zonsopgang en eten onmiddellijk na het opstaan voor de hele dag, want behalve deze gebruiken ze geen andere maaltijden. Daarbij drinken ze niet, zoals Suidas ook over sommige andere oosterse volken vermeldt dat ze alleen buiten de maaltijden om drinken. Zij drinken verscheidene malen per dag en dan zo veel ze kunnen. Hun drank maken ze van een of andere wortel en heeft de kleur van onze lichtrode wijnen. Hij wordt altijd lauw gedronken en blijft niet meer dan twee of drie dagen goed. Hij smaakt wat scherp, is volstrekt niet bedwelmend, goed voor de maag en werkt laxerend bij diegenen die er niet aan gewend zijn; voor wie dat wel zijn is het een zeer aangename drank.In plaats van brood eten ze een bepaalde witte substantie, die op ingemaakte koriander lijkt. Ik heb ervan geproefd : de smaak ervan is zoetig en een beetje flauw. De hele dag wordt doorgebracht met dansen. De jonge mannen gaan met pijl en boog op jacht. Een deel van de vrouwen houdt zich intussen bezig met het warmen van hun drank, wat hun voornaamste taak is. Onder de oude mannen is er één die s' ochtends, voordat ze met de maaltijd beginnen, de hele schuur te zamen toespreekt. Hij loopt daarbij van het ene einde naar het andere en spreekt vele malen dezelfde zin uit, tot hij zijn rondgang voltooid heeft (want het zijn gebouwen van wel honderd schreden lang). Hij houdt ze maar twee dingen voor, namelijk dat ze dapper moeten zijn tegenover de vijand en hun vrouwen moeten liefhebben. En iedere keer geven ze in een refrein te kennen dat het de plicht van de vrouwen is hun drank warm te houden en smakelijk te kruiden. Op verschillende plaatsen, onder andere bij mij thuis, kan men exemplaren bezichtigen van hun bedden, hun bouwwerk, hun houten zwaarden en armbanden, waarmee ze bij een gevecht hun vuisten beschermen, en grote stokken, die aan één kant open zijn en waarmee ze een geluid maken om maat te houden bij hun dansen. Ze scheren zich overal, en veel gladder dan wij, hoewel ze alleen maar een stenen of houten scheermes hebben. Zij geloven in de onsterfelijkheid van de ziel, en dat degenen die de gunst der goden verdiend hebben in het deel van de hemel wonen waar de zon opgaat, terwijl de verdoemden de westkant bewonen.

Zij hebben een soort van priesters en profeten, die zich heel zelden aan het volk vertonen en in de bergen wonen. Als ze komen, wordt er een groot feest gegeven en is er een plechtige bijeenkomst van verscheidene dorpen (deze schuren die ik beschreven heb, vormen elk een dorp en liggen ongeveer één Franse mijl uit elkaar ). De profeet spreekt hen in het openbaar toe en spoort hen aan om deugdzaam te zijn en hun plicht te doen. Maar hun hele zedenleer bestaat uit niet meer dan deze twee punten: dapperheid in de oorlog en liefde voor hun vrouwen. Hij voorspelt hun de dingen die zullen gebeuren en de resultaten die zij van hun ondernemingen moeten verwachten, en wijst hun de weg naar de oorlog of weerhoudt hen daar juist van, maar doet dit slechts op voorwaarde dat hij als valse profeet veroordeeld en (als ze hem te pakken krijgen) in duizend stukkengehakt wordt als zijn voorspelling niet uitkomt. Daarom ziet men profeten die zich een keer vergist hebben nooit meer terug.

De toekomst voorspellen is een gave van god; daarom zou misbruik daarvan als een vorm van bedrog bestraft moeten worden. Onder de Scythen werden waarzeggers als ze het mis hadden aan handen en voeten geboeid op een door ossen getrokken kar vol heide gelegd, waarop men ze liet verbranden. Diegenen die zich met zaken bezighouden, waarvan de uitvoering volledig afhangt van het menselijk inzicht, zijn geëxcuseerd als ze doen wat ze kunnen. Maar anderen, die ons komen misleiden met verzekeringen dat ze over ons onbekende, buitengewone gaven beschikken, moeten die, als ze hun belofte niet waarmaken, niet voor hun vermetele leugens gestraft worden?

Hun oorlogen voeren ze met volken die meer landinwaarts wonen, aan de andere kant van de bergen, en ze trekken volkomen naakt tegen hen op, met geen andere wapens dan bogen of houten zwaarden, die aan één kant gepunt zijn, net zoals de uiteinden van onze lansen. Verbazingwekkend is hoe onverzettelijk ze zijn bij hun gevechten, die nooit zonder doodslag of bloedvergieten eindigen. Want bang zijn of vluchten, dat kennen ze niet. Iedereen brengt het hoofd mee van de vijand die hij gedood heeft, en bevestigt het boven de ingang van zijn woning. Een gevangene wordt eerst een tijdlang goed verzorgd en voorzien van alle gemakken die men zich denken kan. Daarna roept degene in wiens handen hij is, een grote schare van zijn bekenden bijeen. Hij bindt aan de ene arm van de gevangene een touw en houdt hem aan het uiteinde daarvan vast, een paar passen van hem vandaan, om niet geraakt te worden, en zijn beste vriend laat hij op dezelfde manier de andere arm vasthouden, waarop ze hem samen in tegenwoordigheid van de hele schare met zwaardslagen afmaken. Wanneer dat gedaan is, roosteren ze hem, eten hem gezamenlijk op en laten vrienden die er niet bij waren stukken vlees brengen. Ze doen dat niet, zoals men wel denkt, om zich ermee te voeden, zoals de Scythen in de oudheid deden, maar als een uitdrukking van de uiterste wraak. Dat bleek uit het volgende. Ze merkten namelijk dat de Portugezen, die met hun tegenstanders een bondgenootschap hadden gesloten, wanneer ze in hun handen vielen, een andere manier van doden op hen toepasten, die hierin bestond dat ze hen tot hun middel ingroeven en het bovenlichaam vol pijlen schoten om ze daarna op te hangen. Ze concludeerden nu dat deze mensen van een andere wereld, die hun buurvolkeren her en der met zoveel verdorvenheid hadden laten kennismaken en zoveel meer dan zij doorkneed waren in alle soorten kwaad, niet zonder reden dit soort wraak namen en dat die pijnlijker moest zijn dan de hunne, zodat zij hun oude methode begonnen te verlaten en deze overnamen. Het stemt mij niet verdrietig als men wijst op de gruwelijke barbaarsheid van een dergelijke handelswijze, maar wel als men hun fouten juist beoordeelt terwijl men volkomen blind is voor de onze. Ik vind het barbaarser om een levende mens te eten dan een dode, om een lichaam dat nog vol gevoel is, op de pijnbank uit elkaar te scheuren en langzaam te roosteren of door honden en varkens te laten bijten en verminken (waarover we niet alleen gelezen hebben, maar wat we in het jongste verleden zelf hebben zien gebeuren, niet onder vijanden in de oudheid, maar onder buren en medeburgers en, wat erger is, in naam van de vroomheid en de godsdienst), dan hem te roosteren en op te eten, nadat hij gestorven is.

De leiders van de Stoïcijnse school, Chrysippus en Zeno, waren inderdaad van mening dat er geen enkel kwaad in steekt ons stoffelijk overschot als het voor ons noodzakelijk is waarvoor dan ook te gebruiken, ook om het op te eten, zoals onze voorouders nog deden toen ze in de stad Alexia door Caesar belegerd werden en besloten de door dit beleg ontstane hongersnood te verlichten met de lichamen van grijsaards, vrouwen en andere personen, die nutteloos waren voor de strijd.

Vascones, fama est, alimentis talibus usi Produxere animas. (zie voetnoot 8)

Ook de medici schromen niet om ten behoeve van onze gezondheid het menselijk lichaam op allerlei manieren te benutten, zowel voor inwendig als voor uitwendig gebruik. Maar er is nog nooit een denkwijze geweest die zo ontspoord is, dat zij een verontschuldiging biedt voor verraad, trouweloosheid, tirannie en wreedheid, wat bij ons de gewone fouten zijn.

Wij kunnen heb dus wel barbaren noemen als we ons verstand als maatstaf nemen, maar niet als we henzelf met onszelf vergelijken, die hen in iedere vorm van barbaarsheid overtreffen. Hun manier van oorlog voeren is in alle opzichten edel en grootmoedig, en ze heeft zoveel schoonheid en gerechtvaardigheid als bij deze pest der mensheid maar mogelijk is: bij hen is het enige motief dat ze elkaar willen overtreffen in dapperheid. Zij strijden niet om nieuwe gebieden te veroveren, want ze hebben nog het genot van een overvloedige natuur, die hen,; zonder arbeid en moeite, alles verschaft wat ze nodig hebben, en wel zo royaal, dat ze geen reden hebben hun grondgebeid uit te breiden. Zij zijn nog in die gelukkige staat dat ze niet meer begeren dan wat hun natuurlijke behoeften vereisen, alles wat daar bovenuit gaat, is voor hen overbodig. Degenen die van dezelfde leeftijd zijn noemen elkaar in het algemeen broeder, en al degenen die jonger zijn noemen ze kind; en de grijsaards zijn voor alle anderen vader. Deze laten alle erfgenamen het volle en onverdeelde bezit van hun goederen na, zonder andere titels of aanspraken dan zuiver en alleen die welke de natuur al haar schepsels verleent, wanneer ze hen ter wereld brengt. Als hun buren de bergen overtrekken om hen aan te vallen en de overwinning op hen behalen, is het enige dat ze bij zo' zege winnen de eer en het voorrecht in kracht en moed superieur te zijn gebleken; want ze hebben verder geen interesse in de goederen van de overwonnenen, en keren terug naar hun land waar het hen aan niets noodzakelijks ontbreekt, ook niet aan de grote gave om opgewekt van hun levenswijze te kunnen genieten en er tevreden mee te zijn. De andere partij doet op zijn beurt hetzelfde. Zij vragen van hun gevangenen geen andere losprijs dan dat deze hun nederlaag erkennen en daar openlijk voor uitkomen. Maar er is er in honderd jaar niet één geweest die niet liever de dood in ging dan, met woorden of door zijn gedrag, ook maar in de minste mate afbreuk te doen aan de grootheid van zijn onoverwinnelijke moed. Men ziet er niet één die zich niet liever laat doden en opeten dan zelfs maar te vragen om gespaard te worden. Ze maken het hun gevangenen in alle opzichten naar de zin om hen des te meer van het leven te laten houden, maar bewerken hen met dreigementen aangaande de dood die hen wacht, de folteringen die ze te verduren zullen krijgen, de voorbereidingen die daarvoor getroffen worden, het afrukken van hun ledematen en het feestmaal dat ze ten koste van hen zullen aanrichten. Dat alles doen ze alleen maar om een enkel zwak of kleinmoedig woord aan hun mond te ontlokken of een verlangen om te vluchten bij hen op te wekken; hun enige doel is de triomf te behalen hun angst te hebben ingeboezemd of hun standvastigheid aan het wankelen gebracht te hebben. Want goed beschouwd is ook alleen hierin de ware overwinning gelegen:

victoria nulla est, Quam quae confessos animo quoque subjugat hostes. (zie voetnoot 9)

In vroeger tijden plachten de Hongaren, zeer oorlogszuchtige vechtersbazen, als de vijanden zich aan hun genade hadden overgegeven, hun voordeel niet verder uit te buiten. Want wanneer ze hen zover hadden dat ze dit openlijk toegaven, lieten zij hen ongedeerd en zonder losprijs gaan; hoogstens dwongen ze hun de belofte af dat ze de wapens voortaan niet meer tegen hen zouden opnemen.

Veel van de voordelen die we op onze vijanden verhalen zijn voordelen die we aan iets anders ontlenen en niet van onszelf zijn. Het is een kenmerk van de sjouwer en niet zijn moed dat hij sterkere armen en benen heeft ; lenigheid is een dode en lichamelijke hoedanigheid. Het is een gelukstreffer wanneer onze vijand toevallig struikelt of door het zonlicht verblind wordt. Goed kunnen schermen is een kwestie van kennis en techniek : ook een laf en onwaardig iemand kan die toevallig bezitten. De waarde en waardigheid van iemand ligt in zijn hart en zijn wil. Daarin ligt zijn ware eer. Dapperheid is niet de kracht van armen of benen, maar van hart en geest: zij bestaat niet in de kwaliteit van ons paard of onze wapens, maar in die van onszelf. Als iemand valt terwijl zijn moed ongebroken blijft, 'si succiderit, de genu pugnat' 1 (zie voetnoot 10). Wie zelfs onder rechtstreekse bedreiging van een of ander doodsgevaar niets van zijn zelfvertrouwen verliest; wie zelfs als hij de geest geeft, zijn vijand ferm en trots in de ogen kijkt; zo iemand wordt niet verslagen door ons, maar door het lot; hij wordt gedood, maar niet overwonnen.

De moedigsten zijn soms ook de onfortuinlijksten.

Ook zijn er zo triomfvolle nederlagen, dat ze niets onderdoen voor overwinningen. En zelfs de gezamenlijke triomf van die vier zuster-overwinningen, de schoonste die zon ooit aanschouwd heeft, die van Salamis, Plataeae, Mycale en Sicilië, heeft men nimmer op één lijn durven stellen met de glorierijke nederlaag van koning Leonidas en de zijnen bij de pas van Thermopylae.

Wie snelde ooit met meer glorie, eerzucht en strijdlust toe om de strijd te winnen dan Ischolas om die te verliezen? Heeft iemand zich ooit met zoveel zorg en vernuft verzekerd van zijn veiligheid als hij van zijn verderf? Hij had de opdracht een bepaalde pas van de Peloponnesus te verdedigen tegen de Arcadiërs. Omdat hij zich, gezien de aard van het terrein en de overmacht van de vijand daartoe volstrekt niet in staat achtte en ervan overtuigd was dat ieder die zich daar aan de vijand vertoonde, er beslist niet levend vandaan zou komen, maar het anderzijds beneden de waardigheid achtte van iemand met zijn moedige en edele inborst en met de naam Spartaan om de opdracht te verzaken, koos hij tussen deze twee uitersten de volgende middenweg. De jongsten en actiefsten van zijn eenheid spaarde hij om van nut te zijn voor de verdediging van hun land en stuurde ze daarheen terug. En met degenen wier afwezigheid minder gevoeld zou worden, besloot hij de pas te verdedigen en door hun dood de vijand zo duur mogelijk voor de doortocht te laten betalen; wat ook gebeurde; want toen ze kort daarop aan alle kanten door Arcadiërs omsingeld waren en een grote slachting onder hen hadden aangericht, werden Ischolas en de zijnen allen aan het zwaard geregen. Is er ooit een trofee aan overwinnaars gewijd die met meer recht toekwam aan deze overwonnenen? De ware overwinning ligt in je rol in het gevecht, niet in je overleven, en bestaat erin dat je dapper gestreden hebt, niet dat je overwonnen hebt.

Om op onze geschiedenis terug te komen: die gevangenen zijn, wat men hen ook aandoet, zo weinig geneigd toe te geven, dat ze in tegendeel gedurende de twee of drie maanden waarin ze bewaakt worden, juist een opgewekt gezicht tonen en er bij hunoverwinnaars op aandringen hen snel aan deze beproevingen te onderwerpen; zij dagen hen uit, beledigen hen, en werpen hun voor de voeten laf te zijn en hoeveel gevechten zij tegen de hunnen verloren hebben. Ik heb een lied dat door een gevangene gemaakt is, waarin deze passage voorkomt: 'laten ze maar eens durven komen, met z'n allen, en samenkomen om hem op te eten; ze zullen tegelijkertijd hun vaders en grootvaders opeten, die als spijs en voedsel voor zijn lichaam gediend hebben. Deze spieren, dit vlees en deze aderen, die zijn van jullie zelf, arme dwazen die jullie zijn; jullie merken niet dat er nog substantie van de lichamen van jullie voorouders in zit: proef maar goed, je zult merken dat het naar je eigen vlees smaakt'. Een vondst die in geen enkel opzicht, barbaars aandoet. Degenen die ons vertellen hoe ze sterven en deze executie beschrijven, schilderen ons een gevangene die zijn beulen in het gezicht spuwt en gezichten tegen hen trekt. Ze houden werkelijk tot aan de laatste snik niet op hen met woorden en gebaren te trotseren en uit te dagen. Waarlijk, wat een wilden zijn deze mensen toch in vergelijking met ons; want, in alle ernst, of zij moeten het zijn of wij, zo'n ongelooflijke afstand is er tussen hun manier van zijn en de onze.

De mannen hebben er verscheidene vrouwen, en een groter aantal naarmate ze door hun dapperheid meer roem verworven hebben. Een mooie eigenschap van hun huwelijken die de aandacht verdient, is dat met dezelfde ijver waarmee onze vrouwen ons van de affectie en gunsten van andere vrouwen afhouden, hun vrouwen er juist naar streven die gunsten voor hun mannen te verwerven. Daar zij bezorgder zijn voor de eer van hu echtgenoot dan voor wat ook, doen zij hun uiterste best zoveel mogelijk partners voor hem te vinden en te behouden aangezien dit een bewijs vormt van de waarde van hun echtgenoot.

Onze vrouwen zullen uittroepen dat dit onvoorstelbaar is, maar dat is het niet. Het is een echte huwelijkse deugd, maar uit een vroeger stadium. Ook in de bijbel gaven Lea, Rachel en Sara en de vrouwen van Jacob hun mooie dienaressen aan hun echtgenoten; en Livia werkte er tot haar eigen nadeel aan mee dat Augustus zijn lusten kon botvieren; en Stratonice, de vrouw van Deiotarus, stelde niet alleen een jong en zeer knap kamermeisje dat bij haar in dienst was, aan haar echtgenoot ter beschikking, maar besteedde ook veel zorg aan de opvoeding van de kinderen uit die relatie en hielp ze zelfs om hun vader op de troon op te volgen.

En opdat men niet denkt dat ze dit alles doen uit een simpele en slaafse gebondenheid aan de gewoonte en onder invloed van het gezag van hun oude gebruiken, zonder erover na te denken en zelf een oordeel te vormen, en een te botte geest zouden hebben om ook maar in staat te zijn een ander standpunt in te nemen, zal ik enkele staaltjes van hun geestkracht noemen. Behalve de passage die ik zojuist heb aangehaald uit een van hun oorlogsliederen, heb ik er nog een, een liefdeslied dat als volgt begint: 'Adder, wacht, houdt even stil, adder, zodat mijn zuster het patroon van je kleuren kan overnemen om een prachtige geborduurde gordel te maken, die ik aan mijn geliefde kan geven: zo zijn jouw schoonheid en tekening voor altijd uitverkoren boven die van alle andere slangen'. Dit eerste couplet vormt het refrein van het lied. Nu ben ik genoeg bekend met de dichtkunst om het volgende oordeel te kunnen geven: er is niet alleen niets barbaars aan dit beeld, maar het is ook volkomen Anacreontisch (zie voetnoot 11). Bovendien is hun taal een aangename taal, die een zoete klank heeft en in haar uitgangen aan het Grieks doet denken.

Niet beseffend dat zij, om de zedenverwildering aan deze zijde van de oceaan te leren kennen, met hun eigen rust en geluk zouden moeten betalen en dat dit contact de oorzaak zou worden van hun ondergang (die zich, naar ik aanneem, inmiddels grotendeels heeft voltrokken), waren er drie van hen (arme stakkers, die zich door de prikkel van het onbekende hadden laten verleiden en de lieflijkheid van hun eigen streken verlieten om de onze te zien) in Rouaan, in de tijd dat wijlen Koning Karel IX daar was. De koning sprak lang met hen; men liet hun onze levensgewoontes zien, onze pracht en praal en de aanzichten van een mooie stad. Daarna vroeg iemand hun wat ze van dit alles dachten, en wilde weten wat ze verbazingwekkend hadden gevonden. Zij noemden drie dingen, waarvan ik tot mijn spijt het derde vergeten ben, maar de twee andere herinner ik me nog. Zij zeiden dat ze het in de eerste plaats zeer vreemd vonden dat zoveel grote, sterke en gewapende mannen met baarden die de koning omringden (waarschijnlijk bedoelden ze de Zwitsers van zijn lijfwacht) zich gehoorzaam onderwierpen aan een kind en niet liever iemand uit hun midden kozen om bevel te voeren. In de tweede plaats was het hun opgevallen dat er mensen onder ons waren (het is in hun taal een gebruikelijke zegswijze om de mensen de helft van elkaar te noemen), die in alle mogelijke vormen van luxe baadden, terwijl hun 'helften' uitgeteerd door honger en armoede aan de deuren bedelden; en zij vonden het vreemd dat deze behoeftige 'helften' een dergelijk onrecht over zich heen lieten gaan zonder de anderen naar de keel te vliegen of hun huizen in brand te steken.

Ik heb met één van hen lange tijd gesproken; maar ik had een tolk die met zo slecht volgde en door zijn domheid zodanig werd verhinderd mijn gedachten te begrijpen, dat ik er nauwelijks plezier aan heb kunnen beleven. Op mijn vraag aan de vreemdeling welke voordelen hij genoot van de vooraanstaande positie die hij onder de zijnen innam (want het was een bevelhebber en onze zeelieden noemden hem 'de Koning') antwoordde hij dat hij het voorrecht had dat hij voorop mocht gaan in de strijd; en toen ik vroeg hoeveel mannen hij aanvoerde, wees hij me een open stuk grond aan om aan te geven dat het er zoveel waren als daarop konden staan; en dat waren er zo'n vier- of vijfduizend; en op mijn vraag of zijn gezag ophield als er geen oorlog was, zei hij dat hij dan het voorrecht behield dat er, wanneer hij dorpen bezocht die onder hem stonden, paden voor hem gebaand weden door het kreupelhout, zodat hij gemakkelijk door hun bossen kon trekken.

Dit alles klinkt zo slecht nog niet: maar ja, zij dragen nu eenmaal geen broeken!


    voetnoten
  • 1: Ooit heeft een grote aardbeving deze landen uiteengerukt, die tot dan toe één geheel vormden. (Vergilius, Aeneis, III, 414-415)
  • 2: Wat lang een moerassig en onvruchtbaar gebeid was, waar je kon roeien, dat levert nu het voedsel voor de naburige steden en wordt met zware ploegen bewerkt (Horatius, Ars Poetica, 65-66)
  • 3: Montaigne volgt steeds Benzoni, die zich op Aristoteles zegt te baseren.
  • 4: De klimop gedijt het beste, als ze in het wild groeit, nergens schiet de aardbezieboom zo fraai omhoog als in eenzame spelonken, en de vogels zingen des te lieflijker als ze niets geleerd hebben. (Propertius, I, 2, 10-12)
  • 5: In de Wetten, boek X
  • 6: Mensen, zo uit Gods hand (Seneca, Brieven, XC)
  • 7: Dit zijn hun eerste wetten, die de natuur gegeven heeft. (Vergilius, Georgica, II, 20)
  • 8: Er wordt gezegd dat de Gascogners (Basken) door dergelijk voedsel hun leven verlengd hebben (Juvenalis, XV, 93 en 94)
  • 9: Het is geen overwinning, als de vijand niet ook innerlijk onderworpen is en ziojn nederlaag moet toegeven. (Claudianus, De sexte consulatu Honorii, 248-249)
  • 10: ... dan strijdt hij op zijn knieën verder (Seneca, De providentia, II)
  • 11: Anacreon, Grieks lierdichter, geboren circa 570 v. Chr., maakte drink- en liefdesliedjes.

naar bovenarrow up | pijl naar boven