de Inca Garcilaso de la Vega:
geschiedkundige of literator?
Gedurende vele eeuwen werden de geschriften van de Inca Garcilaso de la Vega (1539, El Cuzco), die ook wel de 'prins van de Peruviaanse geschiedschrijving' wordt genoemd, beschouwd als de meest omvangrijke en betrouwbare bron voor alles wat te maken had met de geschiedenis van de Andes-volkeren. Als onpartijdig toeschouwer, of liever als iemand die zowel onder de oorspronkelijke Inca's als onder de Spaanse veroveraars thuis hoorde, was hij aan weerskanten bekend met ieders opvattingen en gevoelsleven. Dat hij bovendien aan beide kanten afstamde van voorname voorouders — zijn moeder was de Peruviaanse prinses Isabel Chimpu Ocllo, kleinkind van Atahualpa en afstammeling van Túpac Yupanqui, en zijn vader de beroemde kapitein en conquistador Garcilaso de la Vega — heeft hem des te beter in staat gesteld om de verschillen tussen de ene en de andere samenleving rechtvaardig en met mildheid te vergelijken en te beoordelen. In onze Inca Garcilaso de la Vega mogen wij dus zonder enige twijfel een hoogaanstaande, kundige en onpartijdige gids zien.
Hier komt bij, dat deze half-Indiaanse auteur een hoogst opmerkelijk verteltalent bezat. Zijn pen zocht haar kracht niet in de retoriek of mooischrijverij, noch in een vertoon van geleerdheid, noch ook in een zucht om bepaalde stellingen aan ons op te dringen, gelijk bij zo menige auteurs uit dat tijdperk het geval was. Steeds treft hij ons door zijn grote eenvoud en bescheidenheid; wat hij zegt klinkt steeds oprecht en geloofwaardig, en wanneer hij iets niet weet of zelf niet goed begrijpt, zegt hij dat ook heel openhartig, waardoor zijn verhaal steeds iets vertrouwenwekkends behoudt.
In de Comentarios Reales vindt de lezer een uitgebreid chronologisch overzicht vanaf het ontstaan van het Incarijk tot het moment dat de eerste conquistadores voet aan wal zetten in de Nieuwe Wereld. Ook de religieuze gebruiken, de communicatiemiddelen, de tempels, familiale tradities, het sociale leven, en de landbouw worden gedetailleerd behandeld. In het tweede deel van de Comentarios biedt Garcilaso de lezer een algemeen historisch overzicht aan waarin hij onder andere de Spaanse veroveringstochten, de burgeroorlogen en de installatie van het kolonialisme tot ongeveer 1569 beschrijft.
Garcilaso zelf benadrukt in zijn werken geregeld de originaliteit en de exclusiviteit van zijn getuigenis en van de informatie die hij verstrekt. Bovendien stelt hij het Incarijk en zijn bewoners voor als een soort filosofische bakermat voor de Spanjaarden, parallel met wat de Romeinse oudheid betekent voor de Europese beschaving. Garcilaso's literaire vaardigheid maakt de Comentarios Reales tenslotte meer dan het citeren waard.
In het volgende fragment uit de Comentarios Reales vertelt Garcilaso over de offerrituelen van de inboorlingen die Peru bevolkten, vóór de Inca's er heersten.
over de offers in de pre-Incatijd
fragment uit de Comentarios Reales van Inca Garcilaso de la Vega
bron: Garcilaso de la Vega, Het Rijk Der Inca's, vertaald door W. J. Van Balen, Uitgeversmaatschappij Holland, s.d.
Even laag-bij-de-gronds als hun goden waren ook de offers die de Indianen in de pre-Incatijd plachten te brengen. Want behalve dieren en plantaardig voedsel offerden zij ook mannen en vrouwen van iedere leeftijd, die zij in hun onderlinge oorlogen gevangen namen. Zelf nam deze wreedheid soms dusdanige uitbreiding aan, dat zij niet alleen hun krijgsgevangenen offerden, maar ook hun eigen kinderen. De gewone wijze van offeren was dat men hun levend de borst opensneed, en het hart met de longen eruit rukte. Zolang het bloed nog warm was, smeerden zij daar hun afgod mee in, en vervolgens lazen zij uit de longen en uit het hart de voortekenen, om te zien of het offer goedgunstig was aanvaard. In elk geval werden hart en longen daarna verbrand, en het overige lichaam van het slachtoffer werd met veel feestvertoon opgegeten, al was het hun eigen kind geweest.
Mijn vroegere speelgenootje, de later zo beroemd geworden Jezuïetenpater Blas Valera¬ -evenals ik een mesties- heeft van hen getuigd: Krijgsgevangenen van lage komaf hakken ze in vier stukken, en dan geven ze aan hun vrienden een stuk ten geschenke om zelf op te eten of te verkopen. Maar wanneer zij een gevangene van hoge rang bemachtigd hebben, binden zij hem levend aan een paal, geheel naakt, en met stenen messen snijden ze hem voortdurend stukjes vlees uit zijn lichaam. Ze leggen hem niet uit elkaar, doch snijden enkel het vlees weg van de plekken waar dit het overvloedigste is, zoals de kuiten, de dijen, de billen, etc., en met het bloed smeren mannen zowel als vrouwen zichzelf in. Het vlees schrokken zij haastig naar binnen, zonder het toe te bereiden of zelfs maar te kauwen. Zo ziet het slachtoffer zelf hoe hij stukje bij beetje levend opgegeten en in hun magen begraven wordt. De vrouwen (die altijd wreder zijn dan de mannen) dopen haar borsten in het bloed van het slachtoffer opdat hare zuigelingen met de moedermelk ook dit bloed opdrinken. Dit alles vindt plaats te midden van grote feestelijkheden, totdat de man dood is. Daarna wordt dat wat van hem nog over is, eveneens opgegeten, met ingewanden en al. En niet zozeer voor het lekkere als wel bij wijze van godsdienstige verering. Want van dit ogenblik af beschouwen zijn hun slachtoffer als een heilig iets. Heeft hij tijdens de foltering geschreeuwd of enig klagelijk gebaar gemaakt, dan worden zijn beenderen en darmen verbrand en verachtelijk in de rivier gegooid; maar wanneer hij zich taal gehouden heeft, wordt zijn gebeente, wanneer het geheel is afgekloven, in de zon gedroogd en op de toppen der bergen gelegd, waar het voortaan als godheid vereerd wordt. Zo leven de inboorlingen van die streken nog steeds in volle barbaarsheid, omdat het Rijk der Inca's nooit tot hen is doorgedrongen, en ook dat van de Spanjaarden nog niet, zodat het er ook nog heden zo toegaat. Tot zover Padre Blas Valera.
Sommige stammen maakten hun slachtoffers niet dood, doch tapten hun enkel uit de armen of benen bloed af. Bij zeer plechtige gelegenheden werd het afgetapt boven de neus tussen de beide wenkbrauwen, en deze methode was wel de meest gangbare in geheel Peru, zowel voor bloedoffers als ook voor gewone medische aderlatingen, speciaal in gevallen van zware hoofdpijn.
Zo wisselden de gebruiken al naar de stammen; het meest algemeen waren de offers van allerlei dieren en kruiden, zoals bijvoorbeeld een bladsoort die zij Cunca (Coca) noemen, en waar zij bijzonder op gesteld zijn. Zo offerde elke natie datgene waaraan zij de meeste waarde hechtte.
naar boven
|