Voltaire :: filosofisch woordenboek: antropofagen
bron: Voltaire, Filosofisch Woordenboek, of De Rede Op Alfabet :: vertaling Vermeer-Pardoen :: Uitgeverij Van Gennep, 2004
inleiding
In 1764 schrijft Voltaire de Dictionnaire philosophique, een pocketwoordenboek waar de lezer in alfabetische volgorde alle filosofische wapens vindt tegen de intolerantie en het (religieus) fanatisme die heersten in die periode. Eén van de lemma's is antropofagie (zie voetnoot 1).
fragment antropofagen
Wij hebben het gehad over de liefde. Het valt niet mee om van mensen die elkaar kussen over te stappen op mensen die elkaar opeten. Het is maar al te waar dat er antropofagen hebben bestaan. We hebben ze aangetroffen in Amerika, en daar komen ze misschien nog wel voor; en in de Oudheid waren de cyclopen niet de enigen die zo af en toe mensenvlees nuttigden. Juvenalis bericht dat bij de Egyptenaren, een volk dat zo wijs was, (zie voetnoot 2) zo befaamd om zijn wetten, een vroom volk dat krokodillen en uien aanbad, de Denderieten hun vijanden opaten als ze die te pakken kregen. Hij heeft dat verhaal niet van horen zeggen, nee, die misdaad werd praktisch voor zijn ogen gepleegd toen hij in Egypte was, niet ver van Dendera. Bij die gelegenheid noemt hij ook de Gascogners en de Saguntjjnen, die vroeger eens het vlees van hun landgenoten hebben gegeten. (zie voetnoot 3)
In 1725 werden er vier wilden uit Mississipi meegebracht naar Fontainebleau, en ik had de eer me met hen et mogen onderhouden. Er bevond zich onder hen een dame uit dat gebied, aan wie ik vroeg of ze wel eens mensenvlees had gegeten, en zij antwoordde in alle onschuld dat zij dat wel eens gegeten had. Ik reageerde wat gechoqueerd, waarop zij zich verontschuldigde door te zeggen dat je je dode vijand beter kon opeten dan hem door de wilde dieren te laten verslinden, en dat de overwinnaars recht hadden op de beste stukjes. Wij doden, al dan niet in slagorde, onze buren en voor een schamel loontje bezorgen we de kraaien en de wormen een lekker hapje. Dàt is pas afschuwelijk, dàt is een misdaad. Wat doet het ertoe, als ze je hebben gedood, of je door een soldaat wordt opgegeten of door een raaf of een hond.
Wij hebben meer eerbied voor een dode dan voor een levende. We hadden voor beiden meer respect moeten hebben. De zogenaamde beschaafde volken hebben gelijk dat ze hun verslagen vijanden niet aan het spit braden; want als je je buren zou mogen opeten, zou het niet lang duren of je verorberde je landgenoten ook, en dat zou schadelijk zijn voor de samenleving. Maar de beschaafde volken zijn dat niet altijd geweest; ze zijn allemaal lange tijd onbeschaafd geweest. En in de talloze omwentelingen die deze aardbol heeft doorgemaakt waren er nu eens heel veel mensen en dan weer heel weinig. Het is met de mensen gegaan zoals het nu gaat met de olifanten, leeuwen en tijgers, waarvan het aantal sterk is afgenomen. In een tijd waarin een bepaalde streek dunbevolkt was, hadden de mensen weinig technieken tot hun beschikking, het waren jagers. De gewoonte om op te eten wat ze hadden gedood, maakte dat ze er gemakkelijk toe overgingen met hun vijanden te doen wat ze met hun herten en everzwijnen deden. Het brengen van mensenoffers komt voort uit bijgeloof, het eten van mensen komt voort uit honger.
Wat is nu de grootste misdaad: in vrome vergaderingen bijeenkomen om ter ere van de godheid een mes te steken in het hart van een met linten getooid meisje, of een lelijke kerel op te eten die je uit lijfsbehoud hebt gedood?
We hebben echter veel meer voorbeelden van meisjes en jongens die zijn geofferd, da van meisjes en jongens die zijn opgegeten; bijna alle bekende volken hebben jongens en meisjes geofferd. De joden hebben het gedaan. Ze noemden het de banvloek. Het was een echt offer, en in hoofdstuk, 27 vers 29 van Leviticus wordt bevolen om de levende wezens die men aan God heeft gewijd niet te sparen.
Maar nergens wordt voorgeschreven om ze op te eten, ze worden daar alleen maar mee bedreigd. En zoals we hebben gezien, zegt Mozes tot de joden dat, als ze die ceremonieën niet in acht nemen, ze niet alleen schurftig zullen worden, maar dat bovendien de moeders hun kinderen zullen opeten. (zie voetnoot 4)
Nu is het waar dat de joden ten tijde van Ezechiël waarschijnlijk wel gewend waren aan het eten van mensenvlees, want hij voorspelde hun in hoofdstuk 39, dat God hen niet alleen de paarden van hun vijanden zou laten opeten, maar ook de ruiters en de ander krijgers. Daar kunnen we niet omheen.
En inderdaad, waarom zouden de joden ook géén antropofagen geweest zijn? Dat zou dan het enige zijn geweest wat eraan mankeerde om van het volk Gods het meest weerzinwekkende volk op aarde te maken.
In een bundel anekdotes uit de geschiedenis van Engeland ten tijde van Cromwell heb ik gelezen hoe een kaarsenverkoopster uit Dublin eersteklas kaarsen verkocht die waren gemaakt van het vet van Engelsen. Een tijdje later kwam een van haar klanten klagen dat haar kaarsen niet meer zo goed waren. 'Ja', antwoordde ze, 'we hadden deze maand helaas geen Engelsen meer'. (zie voetnoot 5)
Nu is mijn vraag: wie had de meeste schuld, degenen die de Engelsen afslachtten, of die vrouw die van hun vet kaarsen maakte?
voetnoten
- 1: Voltaire heeft al in 1764 toegegeven de auteur van dit artikel te zijn. Hij had het bestemd voor de Encyclopédie van d'Almenert.
- 2: Bossuet had nog de Egyptenaren geprezen om hun wijsheid, maar in de achttiende eeuw stond men daar toch ook kritisch tegenover. Ook Voltaire heeft zijn bedenkingen.
- 3: In het geval van de Gascogners en de Saguntijnen gebeurde dit tijdens een verschrikkelijke hongersnood die het gevolg was van een langdurige belegering.
- 4: Deuteronomium 28 vers 27 en idem, de verzen 53-57
- 5: Voltaire heeft dit verhaal ontleend aan John Temple, The Irish Rebellion or an History of the Beginning and first Progress of the General Rebellion within the Kingdom of Ireland upon the Three and Twentieth Day of October 1641 (Londen 1646)
naar boven
|